Ontdek Omroep.nl
Obadja

1De profetie van Obadja.


De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken; ook wij hebben zijn boodschap gehoord: ‘Kom, laten we ten strijde trekken tegen Edom!’

Dit is wat God, de HEER, over dat volk zegt:

2Ik maak van jou een onbeduidend volk,
veracht door iedereen.
3Door je hoogmoed heb je je laten verleiden:
hoog woon je, hoog in de rotskloven,
daar heb je je huis gebouwd,
en je denkt: Wie haalt mij naar beneden?
4Maar al vlieg je zo hoog als een adelaar,
al bouw je je nest in de sterren,
dan nog haal ik je neer
– spreekt de HEER.
5Komen er dieven, rovers in de nacht –
ze stelen alleen wat hun van pas komt.
Maar Edom, jij bent leeggeroofd!
En komen er druivenplukkers –
niet alle trossen snijden ze af.
6Maar Esaus volk is uitgeschud,
zijn schuilplaatsen geplunderd!
7Bondgenoten verdreven je uit je eigen land,
vrienden hebben je verraden en verslagen,
tafelgenoten lokken je in de val,
en je blijft verbijsterd achter.

8De dag komt – spreekt de HEER – dat ik de wijzen in Edom zal doden, zodat er in het bergland van Esau niemand meer is met enig verstand. 9De helden van Teman zullen verlamd staan van schrik; in het bergland van Esau wordt iedereen omgebracht, niemand blijft in leven. 10Je hebt je tegen het volk van Jakob gekeerd, geweld gebruikt tegen je eigen broeder. Daarom zul je met schande worden overdekt en voor altijd worden uitgeroeid.

11Op de dag dat je toekeek hoe andere volken de bezittingen van je broeder wegsleepten, hoe vreemdelingen de stadspoorten binnengingen en het lot wierpen over Jeruzalem, toen was jij zoals zij. 12Die dag had je je niet mogen verlustigen in de rampspoed die je broeder trof, je had je niet mogen verheugen over de ondergang van het volk van Juda, en op die dag van angst had je hen niet mogen bespotten. 13Die dag had je de poorten van de stad niet binnen mogen gaan, je had je op die dag van onheil niet mogen verlustigen in het kwaad dat mijn volk werd aangedaan, en op die dag van ongeluk had je je niet mogen vergrijpen aan hun bezittingen. 14Op die dag van angst had je de mensen die vluchtten de weg niet mogen versperren om ze te doden, en hen die ontkomen waren niet mogen uitleveren. 15Maar de dag van de HEER is nabij voor alle volken; dan zal met jou gedaan worden wat jij met hen gedaan hebt, dan zullen je daden op je eigen hoofd neerkomen.


16Zoals jullie, volk van Jakob, op mijn heilige berg de beker van mijn woede moesten drinken, zo zal ieder volk die drinken. Ze zullen moeten drinken tot ze niet meer kunnen, en het zal zijn alsof ze nooit hadden bestaan. 17Maar jullie vinden een toevlucht op de Sion; de Sion wordt weer een heilige plaats. Het volk van Jakob zal zijn bezetters verjagen: 18Jakobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam, en het volk van Esau de stoppels. De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren, en niemand van Esaus volk zal ontkomen – de HEER heeft gesproken.

19Het volk van Jakob zal de Negev en het bergland van Esau in bezit nemen, het heuvelland en het gebied van de Filistijnen, en ook de gebieden van Efraïm en Samaria, en Benjamin en Gilead. 20De ballingen uit Israël, een legermacht geworden, zullen het land van de Kanaänieten veroveren tot aan Sarefat, en de ballingen uit Jeruzalem, nu nog in Sefarad, zullen de steden van de Negev in bezit nemen. 21Bevrijders zullen de Sion opgaan en regeren over het bergland van Esau – en aan de HEER zal het koningschap toebehoren.

OPTIES

  • eye-openers
  • aan de slag
  • beloofd = beloofd
  • eerlijk = eerlijk
Introductie van Bijbelboek Thema van Bijbelboek

Eye-opener

Dat rode

Ob. 1:3-4

De hoge bergen in Seïr, waar de Edomieten wonen, zijn uitstekend tegen vijanden te verdedigen. Volgens Genesis stammen de Edomieten van Esau af (Gen. 36:1, 9); daarom wordt Edom hier af en toe Esau genoemd. De naam Edom lijkt op het Hebreeuwse adom, dat rood betekent. En dat woord wordt gebruikt voor de soep (dat rode) die Esau van Jakob kreeg in ruil voor zijn eerstgeboorterecht (Gen. 25:30).

Fijne broer is dat

Ob. 1:10-14

De relatie tussen de broers Jakob (Israël) en Esau (Edom) is slecht. In Numeri 20 lees je dat Edom aan Israël de doortocht weigert en met geweld dreigt. Ook andere profeten kondigen Gods oordeel over Edom aan. Zie bijvoorbeeld Jeremia 49 (met voor een deel dezelfde tekst) en Ezechiël 35 (daar heet Edom het Seïrgebergte).

Dit wil je niet drinken

Ob. 1:15-16

Het oordeel blijft niet beperkt tot Edom. Alle volken worden ooit gestraft. Het beeld van de beker van Gods woede is een typisch bijbels beeld. In het evangelie spreekt Jezus van een beker die hij moet drinken (o.a. Mat. 20:22; 26:39, 42), en in Openbaring vind je dit beeld nog eens terug (Op. 14:10; 16:19; 17:4; 18:6).

Aan de slag

Eigen schuld, dikke bult

Ob. 1:12-13

Edom krijgt het verwijt dat het plezier heeft om de rampen die Israël treffen. Zo weinig respect heeft Edom blijkbaar voor zijn broedervolk. Heb jij wel eens last van dat soort gedachten, bijvoorbeeld over mensen die je iets aangedaan hebben? Hoe ga je daarmee om?